GeschiedenisDe eerste bierbrouwers en -drinkers waren de Sumeriërs, die zo’n 6000 jaar geleden in Mesopotamië leefden, het gebied tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris. Het brouwproces toen verliep wel iets anders dan nu. Men bakte eerst een brood, dat verkruimeld en geweekt werd. Het aldus ontstane beslag werd in vers water tot gisting gebracht. Het bier werd vaak gezoet met honing. Via de Babyloniërs kwam het bier in Egypte terecht, waar het behalve als gewone dorstlesser ook een religieuze functie had: het werd meegegeven aan overledenen, zodat zij op hun reis naar het hiernamaals geen dorst zouden krijgen. In West-Europa nam het bier in de Middeleeuwen een belangrijke plaats in. Schattingen wijzen op 400 liter per hoofd van de bevolking per jaar! Dat kwam overigens niet alleen vanwege de lekkere smaak, maar ook vanwege de gezondheid. Drinkwater was vaak verontreinigd en besmet, waardoor de kans op ziekte groot was. Bier kon men veilig drinken, omdat het tijdens het brouwen werd gekookt en de bacteriën dus werden gedood. In de tweede helft van de 17de eeuw werden in Nederland koffie, thee, wijn en gedistilleerd steeds populairder, hetgeen ten koste ging van de bierconsumptie. Ook de hoge accijnzen op bier waren mede de oorzaak. Twee eeuwen later nam door de toenemende welvaart de vraag naar bier onstuitbaar toe. De introductie van het ondergistende bier (pils) bleek bovendien een schot in de roos: na de Tweede Wereldoorlog bestond de bierproductie voor zo’n 99% uit pils. Maar de laatste paar decennia heroveren speciaalbieren (witbier, trappistenbier etc.) weer een deel van de markt. En vrouwen kunnen sinds kort rosébier of een Charli drinken. BrouwprocesDe belangrijkste grondstoffen voor het brouwen van bier zijn (brouw)water, granen (vaak gerst), hop en gist.
Dan begint de brouwer met het schroten. De mout wordt geplet in een schrootmolen, waarbij het kaf loskomt van de korrel en de korrel in kleine deeltjes wordt gemalen. Het geplette mout wordt vervolgens in een kuip met brouwwater gemengd tot een gelijkmatig beslag en opgewarmd. Door de stijgende temperatuur beginnen de bij het mouten ontstane enzymen te werken (maischen). Ze zetten het zetmeel uit de gerstkorrels om in suikers, die in het water oplossen. Daarop volgt het klaren. De brouwer pompt het beslag naar een klaringskuip met een metalen zeef als bodem. Het kaf dat als natuurlijk filter werkt blijft hierop achter en de suikerhoudende vloeistof (wort) gaat er door heen. Nu start het eigenlijke brouwen. Tijdens het koken van de wort in koperen of roestvrij stalen ketels wordt hop toegevoegd, die voor de specifieke, bittere smaak van het bier zorgt. Dan is het tijd om de warme wort te koelen en het mengsel naar tank of kuip te pompen, terwijl de benodigde hoeveelheid gist wordt toegevoegd. In het proces dat zeven tot tien dagen duurt worden suikers omgezet in alcohol en koolzuur (vergisten). Na tot bijna het vriespunt te zijn gekoeld, gaat het ‘jong bier’ of ‘groenbier’ in gesloten tanks. Daar vindt de nagisting plaats. Het bier rijpt onder overdruk totdat het de gewenste hoeveelheid alcohol en koolzuur bevat (lageren). Afhankelijk van het soort bier kan dat enige weken tot zelfs twee jaar duren, voordat het klaar is voor consumptie. |